Ethiopië
Ethiopië!!! Het land dat we (Reg althans) alleen maar kennen van de tv: grote droogtes, honger en ellende. Echter: Onmiddellijk na de grens overgang, die overigens een makkie is, veranderd het landschap. Waar we in Soedan nog grote droge vlaktes zagen, zien we in Ethiopië veel groen. De eerste 150 kilometer op Ethiopische grondgebied zijn beroerd, we doen er zo’n 8 uur over om Gondar te bereiken. Er is veel “weg in aanbouw”, maar op dit moment hebben wij daar niks aan. Overal zijn omleidingen dus we slingeren werkelijk door het land heen.
Na een overnachting in een hotel in Aykel, komen we aan in Gondar. Daar verblijven we in Belegez Pension waar we ons te buiten gaan aan lekker eten. Eindelijk weer! Chris en Janet informeren bij het hotel naar een garage. Hun auto is in Soedan nog nagekeken (ik ga geen technische termen opschrijven die ik zelf toch niet snap) maar de klachten lijken weer terug te zijn in hun Toyota Hiace Van. De monteur verschijnt en bekijkt de auto. Met zijn zessen bespreken we wat we willen zien in Ethiopië en we stellen een route samen. De dag erna wijken we daar alweer vanaf, omdat blijkt dat Chris en Janet hun auto voor minimaal 5 dagen kwijt zijn.
We besluiten om met zijn allen naar Bahir Dar te gaan en daarna weer terug naar Gondar om de auto op te pikken. Bahir Dar is een mooie stad aan Lake Tana. We kamperen er tussen de tropische planten in een heel mooie tuin vol met vogels. We zien pelikanen over het meer zweven en spotten ook andere, felgekleurde, tropische vogeltjes. Je kunt er gewoon dagen spenderen door alleen maar in de tuin zitten en te luisteren naar de geluiden om je heen, kijkend naar planten en vogels en genietend van verse papaya-, mango- of ananassap Op ongeveer die manier komen wij dan ook onze dagen door. Met een bootje gaan we het meer op om de kloosters te bekijken die op kleine eilandjes of langs de oevers liggen. Reg en Troy scoren ’s morgens op de markt visdraad en maken zelf ieder een hangel. Op de boot genieten ze dan ook van de oeroude kracht die uitgaat van vissen; het jagersinstinct. Wanneer we bij het eerste klooster aankomen is niemand echt onder de indruk. We vragen aan de bootman of we de rest van de kloosters kunnen skippen en op zoek kunnen gaan naar nijlpaarden. Een half uurtje later zitten we op nog geen 10 meter afstand van een groep nijlpaarden. Om de zoveel minuten komen ze boven om te ademen. Waow, wat een grote, imposante beesten!
De blauwe Nijl
De volgende dag rijden we naar de watervallen van de blauwe Nijl. We hobbelen zo’n 25 km over een gravelweggetje en komen aan bij de ticketshop. Troy, Michelle en wij besluiten om de wandeling naar de waterval te maken. We lopen langs dorpjes en door de mooie natuur van Ethiopië. Van een afstand kunnen we het water al naar beneden zien denderen. Zelf moeten we door riviertjes waden en velden met koeien trotseren. De wandeling is meer dan de moeite waard. We hebben het superwarm gekregen en de meegebrachte fles water is lauw geworden, maar als we eenmaal helemaal zijn afgedaald naar de onderkant van de waterval, worden we getrakteerd op de verkoelende mist die door het neervallende water wordt verspreidt. Onderaan treffen we Chris en Janet, die de gemakkelijke route (per boot) hebben verkozen.
Onderweg komen we veel kinderen tegen die vragen om geld, waterflessen, snoep en pennen. Als we terug zijn bij de auto pakken wij onze ‘zak van Sinterklaas’ en lopen terug naar de rivier om voor zwarte Piet te spelen en zo onze challenge te volbrengen. Nadat we een paar kindjes iets hebben gegeven wordt het een gekkenhuis. Op een gegeven moment hangen er aan ieder ledemaat wel 3 of 4 kinderen. Er worden tig handen naar ons opgeheven en er lopen zelfs naakte kinderen die vanuit de rivier komen en zichzelf niet de tijd gunnen om kleren aan te trekken. We worden letterlijk afgebroken en het is een erg lachwekkend gebeuren. Als de zak leeg is, willen ze nog steeds meer. Ze rukken bijna de kleren van ons lijf en vragen om T-shirts en geld. Als we weglopen, vertellen we elkaar wat we ervan vonden en ondanks dat we hebben gelachen, houden we er ook een vervelend gevoel aan over. Het was ons al eerder opgevallen en natuurlijk waren we ook gewaarschuwd door andere Overlanders dat de mensen en vooral de kinderen in Ethiopië om vanalles bedelen. Het geeft een rotgevoel dat ze ook nooit tevreden zijn. Op het moment dat je iets geeft, verdwijnt het achter hun rug en komt het andere handje naar boven. Vantevoren hadden we gedacht dat we in dit land onze challenges t.a.v. het helpen van gezinnen konden volbrengen, maar na menige discussies hebben we besloten hier helemaal niks meer te geven. Met zijn allen zijn we erover eens dat de hulp vanuit het westen dit land heeft verpest. De mensen hebben alles aangereikt gekregen en vinden het nu normaal dat iedere blanke ze iets geeft. Langs de weg zien we ook iedere 10 meter wel weer iemand die zijn hand ophoudt. Kinderen roepen ‘give me, give me, give me…’of ‘you, you, you, you’ wat onaardig en soms zelfs agressief overkomt. Waar we ook komen, het is altijd weer ‘give me Birr, give me pen, give me money’ of ‘give me T-shirt’. Ze kijken er niet eens lief of verlegen bij. Het is een irritante, doodnormale gewoonte geworden. Een paar keer zijn er zelfs stenen naar onze auto gegooid, wanneer we niks gaven. Zelfs kindjes van 2-3 jaar oud gooien stenen!
Na 4 dagen laten we Bahir Dar weer achter ons en gaan we terug naar Gondar. We hebben genoten en echt even vakantie gevierd. Als we aankomen in Gondar, blijkt dat de auto nog steeds niet gemaakt is. Na het zien van het klooster bij Lake Tana, hebben Reg en ik besloten niet naar het noorden van Ethiopië te gaan. Wat daar vooral te vinden is zijn kerken, kloosters en nog meer kerken. Chris en Janet willen wel graag naar het noorden en dus splitsen we op. Zij moeten nog een paar dagen op hun auto wachten dus wij vertrekken samen met Troy en Michelle richting Lalibela. In Lalibela zijn de meest interessante kerken van Ethiopië te zien. Koning Lalibela wilde in de 12e of 13e eeuw een nieuw Jerusalem maken, omdat het Jerusalem van toen niet veilig was voor Christenen vanwege Moslims. De kerken zijn volledig uit rotsen gehouwen en dat is meteen de reden waarom ze zo bijzonder zijn. De weg er naartoe vanuit Gondar is de slechtste weg die we tot nu toe hebben bereden. We doen er in totaal 12 uur over!! Het landschap is mooi, maar de wegen zijn echt verschrikkelijk. We overnachten een keer langs de kant van de weg, wat redelijk bijzonder is in Ethiopië, want het is een erg dichtbevolkt land wat bushcampen bijna onmogelijk maakt. Precies op het juiste moment vinden we 1 plekje waar we ons kamp kunnen opslaan en we grijpen die kans. Helaas krijgen wij een lekke band door een scherpe steen. Weer links achter! Ongelooflijk dat we de hele dag al over die stenen hebben gereden en net als je doodmoe ergens aankomt, krijg je een platte band. Grrrr! Met behulp van ons bandenplaksetje gaan we aan de slag, maar na twee pogingen blijkt dat de steen niet gewoon een gat heeft veroorzaakt, maar een hele snee. We moeten de band dus toch vervangen voor het reserve wiel. Maargoed, dan is het probleem ook opgelost. Ondertussen hebben we al weer wat toeschouwers en bedelaars rond de auto’s staan… We koken ons potje en gaan vroeg slapen.
De volgende ochtend staan we voor zonsopgang op en rijden in een ruk door naar Lalibela waar we tegen het middaguur aankomen. We vinden een heel mooie kampeerplek in de tuin van Tukul Village Hotel dat door een in Nederland gestudeerde Ethiopiër wordt gerund. Als hij ons de kamers laat zien, zijn we verkocht en besluiten we de volgende avond eens lekker luxe te doen en zo’n kamer te nemen met mooi uitzicht, schone lakens, een echte wc en een warme douche! (Marcel en Maris bedankt!) Die dag doen we niet veel meer dan een boekje lezen en van de zon genieten. De dag erna bezoeken we de kerken. Een gids vertelt ons over het hoe, wat en wanneer. Het is erg interessant en moeilijk voor te stellen dat zulke grote gebouwen met hamer en bijtel uitgehakt zijn. De legende zegt dan ook dat Koning Lalibela geholpen zou zijn door engelen. We hadden dit niet willen missen, maar de weg die ervoor afgelegd moet worden wel.
We rijden via een shortcut met geweldige uitzichten naar Woldia in 7 uur. Daar brengen we de nacht door en horen we dat we over de afstand naar Addis Abeba nog wel 14 uur doen! Dit is een afstand van 520 km. We rijden twee dagen achter elkaar waarbij we kamperen bij een hotelletje in Robit. Wanneer we van Debre Sina naar Debre Birhan rijden, zien we op het Guassa Plateau nog gelada baboons. Deze soort komt alleen in Ethiopie voor en voornamelijk in de Simien Mountains, waar wij niet zijn geweest dus we zijn blij ze toch nog gespot te hebben.
En dan zijn we eindelijk in het beloofde land….Addis Abeba. We hebben onszelf helemaal gek gemaakt door telkens in de Lonely Planet opnieuw te lezen over de wienersnitsels, Sirloin steaks en ander lekker eten. Het eten in Ethiopië wordt namelijk niet door iedereen gewaardeerd en we hebben dus al lang niet meer echt lekker gegeten. De Ethiopische keuken schotelt Injera voor. Dit is een soort grote pannenkoek die een beetje zuur smaakt. Hierbij krijg je dan net wat je bestelt, maar meestal is het met bot en al op de injera gekwakt. Veel van de prutjes zijn gemaakt van linzen of bonen. Vlees is vaak rauw, zoals de franse tartaar en over het algemeen is het erg pittig en je behoort met je rechter hand te eten. Natasja kan dit voedsel en deze manier van eten wel waarderen, maar Reg, Troy en Michelle niet. Gelukkig staat er meestal ook wel iets van pasta of pizza op de menukaart. Helaas is meer dan de helft meestal niet ‘available’. Hier in Addis zullen we dus eindelijk goed eten; Italiaans, Mexicaans, Aziatisch etc. Ook willen we graag inkopen doen en voorraden aanvullen en onze band laten vulcaniseren. We blijven hier dus nog wel wat daagjes.
De ervaringen met de mensen en vooral de kinderen heeft ons beeld van Ethiopië heel erg gekleurd. De natuur is erg mooi; weelderige groene vlakten, bergen, watervallen en uiteenlopende soorten vogels en dieren, maar het is een land waar we nooit meer naartoe terug willen vanwege de mentaliteit van de mensen. Ze zijn in de verste verte niet vriendelijk of gastvrij te noemen. Zoals eerder gezegd, is het waarschijnlijk ons eigen schuld doordat we zoveel hulp hebben geboden.
Het zuiden van Ethiopië
In Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië blijven we een ruime week. We vinden er vele vormen van haute cuisine, de Chinese, de Griekse en de Italiaanse keuken zijn vertegenwoordigd. Het is even zoeken, maar dan weten we ook precies de plekjes waar we moeten zijn voor een lekkere sappige biefstuk. Reg zorgt er tussen al die maaltijden door nog voor dat Kroesie weer lekker in zijn vel zit. Rechts achter blijft de remcylinder kapot te zijn waardoor deze remvloeistof lekt. Deze vloeistof komt dan op de remschoenen, trekt erin en zorgt ervoor dat de rem niet meer zo goed werkt. Maar om een technisch verhaal kort te maken, komt het erop neer dat we weer wat dagen besteden aan marktjes bezoeken, ‘officiële’ Toyota-onderdelen herkennen, typenummers vergelijken, discussiëren over prijzen enzovoorts. We worden daar al echt bedreven in! Het luchtfilter willen we gewoon even schoonblazen met de compressor, maar Troy laat duidelijk weten dat dit toch zeker wel het moment is om hem te vervangen. Oeps! Hadden we dus eigenlijk al eerder moeten doen. Ook het dieselfilter vervangen we en we gaan langs de Shell om de lekke band te laten repareren. Naast dit alles gaan we iedere dag naar het Ethiopian Shipping Building waar onze nieuwe pomp naartoe gestuurd is. De mensen lijken nergens vanaf te weten, maar zijn toch wel behulpzaam. Na 2 dagen kennen de meesten ons al en doordat Reg steeds gek doet en onder iedere bank en stoel kijkt of daar toevallig ergens ons pompje verscholen ligt, moeten ze al lachen als we binnenkomen. Waarschijnlijk zeggen ze in Amharic, de Ethiopische taal, tegen elkaar “daar heb je ze weer!”.
Even een kleine uitleg; in het zuiden van Egypte is onze waterpomp kapot gegaan. Niet de waterpomp van de auto, maar de pomp die ons van water voorziet. We hebben een watertank van 100 liter en om dat water ook te kunnen gebruiken, moet het eruit gepompt worden en het liefst nog door het filter geperst worden zodat virussen en bacteriën worden tegengehouden en we het ook kunnen drinken. Sinds Egypte gebruiken we water uit flessen en dat is duur, zwaar, onhandig en niet bepaald milieuvriendelijk.
Op de achtste dag van ons bezoek aan het Ethiopian Shipping Building, geeft iemand ons de tip om het eens op het postkantoor te proberen. Dat doen we en ja hoor, we springen een gat in de lucht! Daar staat Reg zijn naam en de doos ligt er! Jippie! SIBO (John), bedankt! Het is nog even een gedoe om hem mee te krijgen; kopietje hier, kopietje daar, dan nog een handtekening en tot slot importtax betalen. Belachelijk, want een week later voeren we het ding weer uit en krijgen we heus geen geld terug, maar ja, zo zijn de regels. Gelukkig komt de man achter de zoveelste balie ons tegemoet door de belasting over een kleiner bedrag te heffen dan dat de pomp kost. Op de vraag waarom de pomp hier ligt en niet bij het Shipping Building is het antwoord doodsimpel “dat doen we niet, we sturen het niet door”.
De volgende dag bouwt Reg hem in de auto en ruimen we alles op. Troy voelt zich niet zo lekker en wil nog een dagje blijven en wij zijn ‘vrij’ en gaan shoppen. We slagen allebei erg goed en zijn happy.
We doen het rustig aan en houden ondertussen de politieke situatie met betrekking tot de verkiezingen in Kenia in de gaten. Half februari vertrekken we naar het zuiden van Ethiopië. We komen aan bij Langano Lake waar we kamperen aan het strand. We genieten van het water, de pelikanen en de rust en reizen de dag erna door naar Arba Minch. Daar kamperen we in de tuin van een hotel en hebben we een schitterend uitzicht over het turquoise kleurige Lake Chamo en het rood-bruine Lake Abayo. ’s Avonds eten we bij het hotel een lekker visje en ’s nachts glijden we bijna onze tent uit van de warmte. Als we de volgende middag terugkomen van het internetcafé, zien we een troep bavianen rondom onze auto’s lopen! Toch even spannend of ze zich niet gaan vergrijpen aan onze lunch, maar ze houden zich koest.
De volgende dag besluiten we om naar Nechisar National Park te gaan. We zijn door de Lonely Planet lekker gemaakt door te lezen over ‘springs’ en wildlife. Enigszins opgewonden rijden we dan ook de eerste kilometers in de waan dat we op safari zijn. Een paar uur later rijden we teleurgesteld het park weer uit. Op wat bavianen, vervetmonkeys, een enkele dik-dik en een wildezwijn na, hebben we niet veel wildlife gezien. De springs zijn niet meer dan een klein stroompje water en de wegen zijn zo ontzettend slecht dat het wel traptreden van een halve meter lijken met veel rotsen en keien. Leuk voor een middagje offroaden, niet leuk als je nog een paar maanden met je auto door Afrika wilt reizen. Dus draaien we op weg naar het plateau waar zebra’s te zien zouden zijn om en rijden we terug. De campsite in het park gaf ons niet eens de mogelijkheid om er met de auto te komen en aangezien de tent op de auto zit, kunnen we er dus niet kamperen. We besluiten terug te gaan naar het hotel van de vorige dag en proberen onderweg het geld voor de campsite in het park terug te krijgen. Bijna een uur en een hele discussie later, komt het erop neer dat we niets terugkrijgen! Het gevoel dat we over Ethiopië hadden nadat we in het noorden hebben gereisd wordt weer bevestigd, terwijl we juist in Addis en daarna een beter beeld hadden gekregen.
Dan begint het grote avontuur, het meest bekende en meest gevreesde deel van Ethiopië gaan we de komende dagen bezoeken; de Omo-vallei. Volgens de Lonely Planet leven hier de meest fascinerende en meest kleurrijke etnische groepen van Afrika. De wegen zijn daarentegen de slechtste van heel Ethiopië. (…en wij dachten al heel wat slechts meegemaakt te hebben op weg naar Lalibela!) Een trip door de Omo-vallei is net zo betoverend als dat het oncomfortabel is. Gelukkig heeft de Lonely Planet het wel vaker mis, kunnen wij achteraf zeggen.
Omo Vallei
In Konso nemen we afscheid van Troy en Michelle, zij hebben genoeg van de mentaliteit van de Ethiopiërs en de slechte wegen en hebben besloten om de ‘makkelijke’ route naar Kenia te nemen via Moyale en de Omo-vallei niet te bezoeken.
Als we wegrijden richting Weyto voelen we ons een beetje raar en onzeker. We hebben toch bijna 2 maanden samen gereisd met Troy en Michelle. Ook missen we het gevoel van een back-up voor het geval er iets verkeerd gaat of als Kroesie het laat afweten. We moeten echt weer even wat zelfvertrouwen kweken. Gelukkig krijgen we meteen een aantal goede ervaringen met Ethiopiërs en na een paar uur is het eigenlijk wel weer lekker om alleen met zijn tweetjes te reizen! We stoppen midden op de weg om onze lunch op te warmen en worden voor het eerst niet omgeven door nieuwsgierige mensen die ons aanstaren of geld vragen. Rond het middaguur komen we aan in Weyto en rijden via Arbore door naar Turmi. De wegen vallen ons alleszins mee; oké, er is gravel en er zijn wat wasbordjes, maar je kunt redelijk doorrijden. Misschien komt het omdat we er in het droge seizoen zijn, in het regenseizoen zorgt het water ervoor dat grote delen van de weggetjes worden weggeslagen en je moet ook door verschillende riviertjes waden die nu droog staan. Langs de kant van de weg zien we de eerste mensen van verschillende stammen. Ze zwaaien aardig naar ons en zien er mooi uit. Als we een foto willen maken, wordt er gevraagd om 2 Birr. Dit was ons bekend en is ook heel normaal in het gehele gebied. Vooraf stuitte dit ons een beetje tegen de borst, maar als je nagaat dat veel toeristen geld verdienen aan de foto’s die ze hier maken, is het wel logisch dat de mensen zelf ook een graantje mee willen pikken. En als dit de norm is, dan kun je je er ook gemakkelijker aan aanpassen.
Als we een korte pauze nemen om wat te drinken, komen er twee mannen aanrennen. We geven ze ook een bekertje water en we volbrengen weer een challenge door ze aan te kleden met 2 boerenkielen voor carnaval. Een van de mannen heeft ook een typisch houten hoofdsteun bij zich. Deze gebruiken de mensen hier als een kussen, zodat hun kapsels niet door de war gaan.
In Turmi blijven we een paar nachtjes. Het is er erg relaxed op de camping van waar uit we uitzicht hebben op een droge rivierbedding waar veel Hamar mensen lopen. Wanneer we door het dorpje wandelen, zien we nog meer kleurrijke mensen met een soort koperkleurige dreadlocks. Erg bijzonder om dit te zien en heel even deel uit te kunnen maken van hun alledaagse leven.
We bezoeken de markt in Dimeka, waar we ook mensen van andere stammen zien. Kinderen pakken Reg bij zijn hand en lopen telkens met ons mee. De markt is niet erg groot en er is niet veel keuze, maar het is wel erg kleurrijk. Er worden veel kruiden verkocht en stapeltjes uien, waarvan wij een stapeltje kopen. De mensen willen graag iets verkopen, maar zijn niet opdringerig. De sfeer is ontspannen.
Terwijl we daar rondlopen, komen we andere toeristen tegen en horen we dat er die middag een Jumping of the Bulls ceremonie is. Dit is iets wat we graag wilden bezoeken, maar de kans was klein dat er precies in de dagen dat wij er waren, een dergelijke ceremonie gehouden zou worden. We besluiten dus dat we daar die middag naartoe gaan. Deze ceremonie houdt in dat een jongen laat zien dat hij een man is. Het is een soort overgang van kind naar volwassene. Dit doet de jongen door naakt van de ene stier naar de andere te springen.
Eerst regelen we nog wat liters diesel, omdat de tocht naar en door het noorden van Kenia een lange zal zijn, zonder de mogelijkheid om te tanken.
Als we aankomen bij de ceremonie, die in een rivierbedding wordt gehouden, zien we allemaal meisjes die dansen en mannen uitdagen om hen te slaan. Dit blijken familieleden te zijn van de jongen die over de stieren gaat springen. Ze worden geslagen met takken en hierdoor ontstaan diepe, bloedende wonden op hun ruggen. Hoe dieper de wond en hoe groter het litteken, hoe meer ze van de jongen houden. Er wordt gelachen, geschreeuwd, gedansd, uitgedaagd en we horen het knallen van de zweep. Al met al is het ietwat luguber, maar toch interessant om te zien. Vooral het verhaal erachter, waarom deze stammen dit doen
en dat ze het al jaren, eeuwen zo doen, maakt het interessant. Na dit schouwspel, gaat de hele meute naar een berg waar de stieren ook naartoe worden gedreven. Er vinden wat rituelen plaats waarbij de jongen naakt op de grond moet gaan liggen en daarna worden de beesten allemaal op een rij gezet met de ruggen naast elkaar. Ze trekken letterlijk aan de poten of de bek van de stier om hem op de juiste plaats te manoeuvreren, niet bepaald diervriendelijk. Dan gaat de jongen eindelijk springen. Poedeltje naakt rent hij van de ene stier naar de andere. Hij moet 4 keer op en neer en als hij valt wordt hij door de meisjes geslagen. ‘Onze’ jongen viel 1 keer en dat is ook meteen het maximum, anders is hij geen man en moet hij het een andere keer opnieuw proberen. Na afloop klapt iedereen en is de ceremonie voorbij. Wij vonden het een erg leuke ervaring.
Die avond kamperen we op een andere camping in Turmi met een paar Duitsers die we ’s middags hadden ontmoet. Zij hadden ons die middag een stuk salami gegeven en omdat het lang geleden was dat we een lekker stuk vlees gegeten hadden, smulden we er heerlijk van. Je kunt dan van zoiets kleins echt genieten! De volgende ochtend rijden we vroeg aan, op weg naar Kenia. Eerst moeten we naar het dorpje Omerate om daar een exit stempel van Ethiopië te halen. De natuur en het landschap waar we doorheen rijden zijn erg mooi. We zingen mee met John Denver en zijn toch wel blij om het volgende land aan te gaan doen. Omerate is een winderig en stoffig dorp. We kopen er een colaatje en gaan zo snel mogelijk via een soort van karrenspoor met los zand richting de grens met Kenia.
Het zuiden van Ethiopië heeft ervoor gezorgd dat we nu wat positiever terugkijken op onze reis door dit land. Het lijkt wat minder dicht bevolkt waardoor je niet bij iedere stop een lading mensen rond je auto hebt staan. De mensen lijken daarnaast ook wat relaxter en vriendelijker. De natuur vonden wij echt schitterend en helemaal omdat je verschillende stammen rond ziet lopen. Als je naar Ethiopië gaat, bezoek dan zeker de Omo-vallei.